ENKELE TESTBESCHRIJVINGEN

1. VWO/HAVO
1.1. Profielkeuzetest
1.2 Studiekeuzetesten

2. VMBO
2.1 Lange studiekeuzetesten
2.2. Korte studiekeuzetesten

3. KWALIFICATIEMETER MBO EN KWALIFICATIEMETER HOGER ONDERWIJS
4. COMPETENTIES
5. OVERIG


1. VWO/HAVO

1.1. Profielkeuzetest

• Profielkeuzetest C10
In de Profielkeuzetest C10 (een echte profielkeuzetest !) kan de leerling zelfstandig de eigen interesses in bepaalde beroepensectoren op HBO-niveau of WO-niveau onderzoeken en op deze wijze de keuzevaardigheid vergroten in het zich identificeren met passende opleidingen en/of werkomgevingen. In totaal zijn er 180 keuzemomenten, hieruit resulteert een profiel van 4 profielen en 10 verschillende domeinen. Op basis van vergelijking met leeftijds-genoten van hetzelfde geslacht en hetzelfde opleidingsniveau krijgt elk profiel en domein een genormeerde score (stanines). Naast gedetailleerde informatie over de profielen en vakken in de Tweede Fase bevat de Profiel- keuzetest C10 uitgebreide en actuele informatie over beroepen en opleidingen. De vier profielen en de 10 domeinen zijn in de uitslag gekoppeld aan de zoekmodule van de HBO en WO bachelors.
De C10 BAMA zoekmodule is altijd beschikbaar geeft de hbo- en wo-bachelors weer op de 10 interesse-richtingen:
NG biologisch en medisch
NG/NT milieu en natuur
NTnatuurwetenschappen
NT techniek
EM commercieel-communicatief
EM economisch-organisatorisch
EM sport en openbare orde
CM humanitair, sociaal-educatief
CM literair-cultureel
CM creatief-artistiek

1.2. Studiekeuzetesten

In Testzone worden 7 studiekeuze testen voor havo/vwo aangeboden die onbeperkt binnen- en buitenschools gebruikt mogen worden. Deze bestaan uit lange en korte testen.

• ABIV C18+
De ABIV C18+ is een interessetest die gebruikt wordt bij advisering over individuele school-, studie- en beroepskeuzes van leerlingen en dient als startpunt voor een gesprek: Kan de leerling zich in de scores herkennen ? Levert het patroon van hoge en lage scores van voorkeur en afkeer reële alternatieven op ? Worden naar aanleiding van het gesprek over scores nieuwe opleidingen ontdekt ?

De ABIV C18 onderzoekt allereerst in welke dimensies de interesses van de leerling liggen en deelt de beroepenwereld in 18 interessedomeinen in. Het testresultaat van de ABIV C18 biedt de mogelijkheid om middels een belangstellingsprofiel de voorkeuren voor interessedomeinen in beeld te krijgen. De ABIV C18 is door de links met opleidingen en beroepen per interessedomein vooral gemaakt om leerlingen te informeren via een zeer uitgebreide rapportage. De informatie is gedurende de gehele schoolloopbaan beschikbaar doordat het rapport en de links naar informatie in het rapport altijd digitaal beschikbaar zijn.

Door de combinatie met BZO geeft de ABIV+ een breder beeld van de mogelijkheden. Je kijkt namelijk op deze manier ook buiten je eigen referentiekader van de ABIV C18 en komt daardoor op nieuwe ideëen die het onderzoeken waard zijn. De BZO maakt gebruik van 720 persoonlijkheidsprofielen.

Toonaangevend in het bereiken van de juiste resultaten door geavanceerde algoritmes, normgroepen, uitgebreide rapportages en de koppeling van individuele uitslagen aan de opleidingen database waarin alle bachelors op hbo en universitair niveau zijn opgenomen met uitgebreide inhoudelijke studie-informatie van alle hogescholen en universiteiten die de opleiding aanbieden.

De ABIV C18+ genereert expertrapportages. In deze expertrapportages worden de schalen toegelicht en de scores in woorden beschreven en in een grafiek weergegeven. Daarnaast selecteert het programma niet alleen per interessedomein maar ook per individueel persoonlijkheidsprofiel een brede lijst van opleidingen en beroepen.

• BZO HI
Het RIASEC of RIASOC-model van John Holland (1985, 1997) onderscheidt zes brede categorieën waarmee individuen en omgevingen worden beschreven: Realistisch, Intellectueel, Artistiek, Sociaal, Ondernemend en Conventioneel.
Sinds de ontwikkeling van het RIASOC model van J.L. Holland hebben zich in de wereld der beroepen belangrijke veranderingen voorgedaan. Beroepen en onderliggende beroepsinteresses zijn drastisch veranderd. Zo hebben verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, zoals nieuwe technologieën, individualisering en klimaatissues, invloed op het dagelijks leven, maar ook op het bedrijfsleven. Ook is er verfijning nodig. Men ging er vanuit dat de 6 types homogeen zijn maar binnen elk menstype zijn nog aparte sub-dimensies te onderscheiden. Terwijl het RIASOC model uitgaat van 6 brede overkoepelende persoonlijkheidstypen, gaat BZO HI uit van het dimensioneel model van Su R. et al. (2019): Gezondheid, Creativiteit, Technologie, Sociaal/Mensen, Bedrijf en Organisatie, Invloed uitoefenen, Natuur en Realistisch/Dingen.
Anders dan de traditionele RIASOC modellen is BZO HI gebaseerd op een hiërarchische taxonomie van interesses. Interesses zijn hiërarchisch gestructureerd, met voorkeuren voor specifieke werkactiviteiten op het laagste niveau (beoordeeld met behulp van 84 interesse-items), basale interesses voor homogene klassen van activiteiten op het tussenliggende niveau (beoordeeld met behulp van basisinteresseschalen), en brede interesse-dimensies die algemene tendensen beschrijven van individuen om aangetrokken te worden door of gemotiveerd te worden door brede typen werkomgevingen aan de top. Deze brede interesse-dimensies zijn gebaseerd op 40 homogene basisschalen. De mapping van deze 40 interesseschalen in de 6 brede persoonlijkheidstypen levert een fit op die uitstekend aansluit bij de huidige ontwikkelingen in de samenleving.

• BZO-ICA
De BZO ICA kent een indeling in 8 interessedomeinen en 13 schalen. De RIASOC circumplexstructuur is onder invloed van Prediger verder geconcretiseerd met twee interessedimensies Idee vs Data en Mensen vs Dingen. De BZO ICA deelt de traditionele circumplex op in acht in plaats van zes interessegebieden, verdeeld over de volgende schalen: Natuur en milieu, Artistiek-creatief, Zorg en onderwijs/educatie, Werktuigbouw en machinebouw, Data-analyse, Financieel beheer, Persoonlijke dienstverlening, Organiseren, Sociale en menswetenschappen, ICT & Business, Financiële en zakelijke dienstverlening, Wetenschap en onderzoek, Status en macht. Door meer scores te gebruiken zijn er meer combinaties van interesses mogelijk en kan een leerling een gerichter studieadvies krijgen.
De BZO ICA omvat 80 activiteiten waarbij aangegeven dient te worden of men deze activiteit leuk vindt (interesse) en vervolgens in welke mate men deze activiteiten beheerst (capaciteiten). De test telt dus 160 items. De samengestelde scores I en CA hebben doorgaans betrouwbaarheden van hoger dan .85
De BZO ICA is genormeerd voor de bovenbouw havo en vwo en voor mbo. Omdat op een aantal schalen de scores tussen mannen en vrouwen significant verschilden, zijn aparte normtabellen voor mannen en vrouwen geconstrueerd.

• BZO voor havo - BZO voor vwo
De Holland-theorie wordt al decennia lang als een internationaal geaccepteerd en gerenommeerd kader beschouwd voor studie- en beroepskeuzevraagstukken en vormt de basis voor verschillende vragenlijsten, die zich sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw in de praktijk van beroepskeuzeadviseurs, studentenbegeleiders, arbeids-psychologen en HRM-adviseurs hebben bewezen. De Engelstalige SDS (Self Directed Search) en diens opvolgers en varianten behoren tot de meest toegepaste beroepskeuzetests. Voor het maken van BZO bood de Hollandtheorie dan ook een solide basis.

Vanaf 15 jaar
223 items
Landelijke normen: RIASOC-model

BZO is een instrument dat iemands interesses meet voor de diverse soorten bezigheden, zoals die voorkomen in de wereld der beroepen. Dit is een belangrijk gegeven voor loopbaankeuzes, want interesses zeggen iets over de persoonlijke motivatie. Als iemand in zijn beroep bezig kan zijn met dingen of onderwerpen die hem echt interesseren, dan is de kans groot dat hij dat werk ook goed doet en steeds beter gaat doen. Door niet alleen te kijken naar wat iemand leuk vindt, maar ook naar wat iemand kan en weet, wordt het beeld verfijnd. Iemands affiniteitmet een bezigheid heeft meer gewicht wanneer deze gepaard gaat met specifieke kennis en vaardigheden dan wanneer iemand iets heel interessant zegt te vinden maar er eigenlijk maar weinig van weet. Daarom peilt BZO in de vragenlijst niet alleen belangstelling, maar ook competenties.

BZO genereert als uitkomst een profiel dat bestaat uit een reeks van zes letters, waarbij de volgorde allesbepalend is voor de interpretatie van de uitkomsten. De zes letters correspondeerden met de zes menstypen van John Holland en de specifieke volgorde (van de hoogste score naar de laagste) gaf als het ware de persoonlijke 'verlanglijst voor de ideale baan van de kandidaat weer. In de SDS van John Holland wordt het advies met name op de drie hoogste scores gebaseerd en dat systeem is in BZO overgenomen.
De theoretische verankering van BZO vindt plaats middels de zogenaamde RIASOC-theorie van de Amerikaan John L. Holland. De theorie van de zes menstypen van John Holland biedt een internationaal geaccepteerd en gerenommeerd kader voor studie- en beroepskeuzevraagstukken. Hij formuleerde zes menstypen en zes bijbehorende typen werkomgeving. Naarmate het individuele profiel sterker overeen komt met het profiel van de werkomgeving, zal dit leiden tot een grotere arbeidssatisfactie, betere prestaties en een betere 'klik' met collega's.
Met de theorie van Holland zijn personen te beschrijven naar hun gelijkenis met zes menstypen: het Realistische, het Intellectuele, het Artisieke, het Sociale, het Ondernemende en het Conventionele menstype. De beginletters van de typen vormen RIASOC.

De beschrijvingen van de menstypen zijn prototypisch en belichten de karakteristieken van een persoon en omgeving in zijn/haar meer extreme verschijningsvorm. Personen en omgevingen zijn doorgaans in meer of mindere mate verwant met verscheidene RIASOC-karakteristieken. De RIASOC-typen zijn niet te beschouwen als los van elkaar staande karakteriseringen. Sommige typen zijn meer verwant met elkaar, terwijl andere typen elkaars tegengestelde zijn. Deze variërende graad van verwantschap doet zich voor zowel op het vlak van de eigenschappen van de persoon als van de omgeving.

Ook omgevingen, zoals studiegebieden en beroepen, zijn te karakteriseren in termen van hun gelijkenis met dezelfde zes typen. Parallel aan de interesses van personen doen ook omgevingen een beroep op typische belangstellingen, voorkeuren en waarden van hun deelnemers en veronderstellen ze typische activiteiten. Elke omgeving heeft in meer of mindere mate karakteristieken gemeenschappelijk met deze zes prototypes en is derhalve te beschrijven in termen van RIASOC-gelijkenis. Personen zoeken omgevingen die hen toelaten om uitdrukking te geven aan hun geprefereerde activiteiten, belangstellingen en waarden. Tegelijkertijd worden omgevingen ook gecreëerd door de personen die er deel van uitmaken. Mensen met een sterke sociale interesse zoeken studie- of arbeidsomgevingen op waarin interpersoonlijke aspecten sterk aan bod komen. Omgekeerd gaat een bedrijf voor een commerciële functie op zoek naar een ondernemend iemand. De wisselwerking tussen persoon en omgeving zorgt voor meer homogene omgevingen en groepen personen die samen werken of studeren. Gedrag is de resultante van de interactie tussen de persoon en de omgeving. Kennis van de RIASOC-profielen van de persoon en de omgeving maakt het mogelijk specifieke predicties te maken over de uitkomsten van deze matching. De interactie tussen de persoon en de omgeving kan iets zeggen over de beroepskeuze, spontane dienstbeëindiging, beroepsprestaties, gepercipieerde competentie en educatief en sociaal gedrag.

• De Verkorte BZO Person × Object

De VK BZO P × O is een korte (30 items), moderne en praktijkgerichte methode om studiekeuze- en beroepsinteresses te meten bij leerlingen . De test is gebaseerd op het RIASEC-model van John Holland en maakt gebruik van een innovatieve meetwijze waarbij de nadruk ligt op relatieve voorkeuren tussen verschillende interessegebieden.

Theoretische achtergrond
De BZO P × O is gegrond op het klassieke RIASEC-model van Holland (Realistisch, Intellectueel, Artistiek, Sociaal, Enterprising en Conventioneel). In dit model worden interesses weergegeven in een circumplexstructuur, waarbij nabijgelegen interessegebieden vaak verwante voorkeuren aanduiden. Onder invloed van Prediger (1982) wordt dit model verder verklaard door twee onderliggende dimensies: Mensen ↔ Dingen en Ideeën ↔ Data. De BZO PxO sluit bij deze benadering aan door interessesituaties te gebruiken die deze dimensies concreet maken en in balans meten.

Doel en doelgroep
De BZO P × O is ontworpen voor jongeren en jongvolwassenen vanaf circa 14 jaar en is geschikt voor loopbaanoriëntatie, profielkeuze en studiekeuze. De test helpt leerlingen te ontdekken in welke richting hun natuurlijke interesses liggen en hoe deze aansluiten bij mogelijke studie- en beroepsrichtingen. Deze test helpt hen te ontdekken waar hun voorkeuren werkelijk liggen wanneer ze moeten kiezen tussen twee even realistische alternatieven. De test is bijzonder geschikt voor profiel- en studiekeuze, loopbaanoriëntatie en reflectie op talentontwikkeling.

Wat wordt gemeten?

De BZO P × O meet de verschillen in voorkeur tussen de zes RIASEC-interesses:
Code Interessegebied
R Realistisch (handen, techniek, buitenwerk)
I Intellectueel (onderzoeken, analyseren)
A Artistiek (creatief, expressief, vormgevend)
S Sociaal (helpen, begeleiden, samenwerken)
E Enterprising (ondernemen, beïnvloeden, leidinggeven)
C Conventioneel (structuur, administratie, organiseren)

De test berekent per type hoe vaak dat type gekozen of niet gekozen is. Hieruit ontstaat een rangorde van voorkeuren en een driedimensionale RIASEC-code (bijv. SIA of RIS). De afstand tussen de scores toont hoe uitgesproken de interesses zijn.

De kern van het P × O-model
De Person × Object aanpak gaat uit van het principe dat interesses situatiegebonden keuzes zijn, geen abstracte voorkeuren. De test presenteert daarom 30 alledaagse situaties waarin de leerling telkens kan kiezen tussen twee activiteiten, die elk een verschillend RIASEC-type vertegenwoordigen.

Voorbeeldsituatie
In een dierentuin:
• Ik verzorg de dieren en geef ze te eten. (Realistisch – R)
• Ik observeer en bestudeer het gedrag van de dieren. (Intellectueel – I)

Elke keuze laat zien waar de intrinsieke voorkeur van de leerling ligt — niet op basis van oordeel ("hoe leuk vind ik dit?"), maar op basis van vergelijking ("welke activiteit spreekt me méér aan?").

In elk item kiest de leerling tussen twee activiteiten (bijvoorbeeld Realistisch en Intellectueel) en geeft daarbij ook de sterkte van voorkeur aan. De antwoordopties worden vertaald naar numerieke waarden volgens het onderstaande schema:

Keuze - Betekenis
1 Sterke voorkeur voor A
2 Voorkeur voor A
3 Voorkeur voor B
4 Sterke voorkeur voor B

Elke keuze kent dus een asymmetrische, maar positieve weging. Het totale aantal punten per item blijft constant, terwijl de verdeling tussen beide interessevelden varieert afhankelijk van de sterkte van voorkeur.

BZO P × O – Scoremethode en interpretatie

Meetmethode: relatieve voorkeur
In tegenstelling tot traditionele interessevragenlijsten, waarbij elke activiteit afzonderlijk wordt beoordeeld op een Likert-schaal, werkt de BZO P × O met keuzepaarvergelijkingen. Leerlingen krijgen steeds twee activiteiten aangeboden en moeten kiezen welke hen meer aanspreekt. Elke activiteit vertegenwoordigt een van de zes RIASEC-typen.

Gebalanceerde RIASEC-meting in het onderwijs
Deze test combineert de kracht van het klassieke RIASEC-interessemodel van Holland met een moderne, gebalanceerde meetbenadering die beter aansluit bij de belevingswereld van leerlingen in havo, vwo en mbo.

De BZO P × O is gebalanceerd omdat beide antwoordopties steeds binnen dezelfde context vallen. Zo wordt vermeden dat één optie aantrekkelijker lijkt door de situatie zelf. De test vergelijkt dus twee gelijkwaardige alternatieven, waarbij alleen het type activiteit verschilt.
Dat maakt de meting eerlijker, minder beïnvloed door taal of context en betrouwbaarder bij jongeren die nog weinig werkervaring hebben. De BZO Person × Object gebruikt een hybride scoringsmethode waarbij leerlingen in 30 situaties kiezen tussen twee activiteiten, elk behorend tot een verschillend RIASEC-type. De test combineert een forced-choice benadering met graduele voorkeuren, zodat zowel de richting als de sterkte van de voorkeur kan worden vastgesteld.

Door deze 'forced choice'-methode worden niet absolute, maar relatieve voorkeuren gemeten. Dit voorkomt sociaal wenselijk antwoordgedrag en geeft een duidelijker beeld van wat werkelijk bovenaan de interessehiërarchie van de leerling staat.

Vergelijking met klassieke methoden
In tegenstelling tot de bipolaire (positief/negatief) scoring van klassieke ipsatieve tests, kent de BZO P × O alleen positieve waarderingen. Dit betekent dat beide activiteiten punten kunnen krijgen, afhankelijk van hun relatieve aantrekkelijkheid. De test meet dus niet alleen 'wat wint', maar ook 'hoe sterk' die voorkeur is.

De BZO P × O-scoremethode combineert de kracht van relatieve vergelijking met de nuance van graduele voorkeuren. De gebruikte waarden vormen een empirisch onderbouwde schaal die het onderscheidingsvermogen vergroot zonder de interpretatie te compliceren. Het resultaat is een betrouwbaar, uitlegbaar en consistent model dat uitstekend past binnen het onderwijs.

Voordelen van de Hybride P × O voor het onderwijs:
Meet echte voorkeuren via directe vergelijking
Meet relatieve voorkeuren in plaats van absolute oordelen
Combinatie van richting (welke activiteit) en sterkte (hoe sterk de voorkeur is)
Minder gevoelig voor sociaal wenselijk antwoordgedrag
Geschikt voor onderwijscontext: geen negatieve waarden, intuïtieve uitleg
Behoudt informatie bij ambivalente keuzes (beide kanten krijgen punten)
Compatibel met normatieve tests zoals de ABIV+ en BZO ICA
Korte afnameduur (ca. 10-15 minuten)
Past uitstekend bij loopbaangesprekken en LOB-dossiers
Sluit goed aan bij de belevingswereld van jongeren (met weinig werkervaring)
Levert een onderscheidend en genuanceerd interesseprofiel
Eenvoudig te koppelen aan studie- en beroepssectoren:
gekoppeld aan de BAMA module met alle hbo en wo bachelors (laatste update 1-10-2025)

De BZO P × O is bijzonder geschikt voor onderwijsinstellingen die leerlingen willen begeleiden bij profiel- of studiekeuze. De test kan zelfstandig worden ingezet of in combinatie met andere instrumenten zoals de BZO ICA of de ABIV+. De BZO P × O kan ingezet worden gebruikt om de relatieve interesseverhoudingen te bepalen die de basis vormen voor verdere analyse van competenties en persoonlijkheid.

• Verkorte BZO ICA
Deze korte vragenlijst bestaat uit 48 interessevragen (48 activiteiten: wat vind ik leuk ?) en 48 competentievragen (dezelfde activiteiten: waar ben ik goed in ?) Deze activiteiten zijn ingedeeld in zes interessetypes of zogenaamde RIASOC-types. Door de koppeling van de persoonlijke RIASOC-code van de leerling aan sectoren/profielen, opleidingsdomeinen en kwalificaties kan de leerling op zoek gaan naar een richting/opleidingsdomein waaraan het RIASOC-type het meest verwant is.

Leerlingen kiezen een vervolgopleiding vooral op basis van interesse in het vakgebied. Interesses en waargenomen competenties blijken elkaar wederzijds te voorspellen. Dit betekent dat interesses de competenties beïnvloeden en deze competenties beïnvloeden op hun beurt de interesses. Op basis van de RIASOC-interesses en -competenties in activiteiten wordt op basis van de combinatie van je drie hoogst scorende persoonstypes daarmee verwante beroepen en opleidingen gepresenteerd in de BAMA-module.

Het RIASOC-model (Holland, 1975) is gebruikt als theoretische basis in deze test. RIASOC staat voor zes verschillende typeringen waarin mensen en beroepen in te delen zijn. Mensen die ervoor kiezen om te werken in een omgeving die vergelijkbaar is met hun persoonlijkheidstype hebben meer kans om succesvol en tevreden te zijn. Artistieke personen hebben bijvoorbeeld meer kans om succesvol en tevreden te zijn als ze voor een baan kiezen die een artistieke omgeving heeft. Een dansdocent die kiest voor het werken in een dansschool zal zich bijzonder prettig voelen, omdat hij zich dan in een omgeving bevindt die door artistieke mensen wordt gedomineerd.

Ook zal duidelijk zijn dat in ieder beroep verschillende types werken, doch hoe groter de overeenkomst van het gekozen beroep met de drie-letter-code hoe groter de kans dat het beroep aansluit bij jouw persoonlijkheid, interesses, vaardigheden en waarden. Wanneer alle drie de letters van de persoonlijke code in een beroep voorkomt, is er een hele grote overeenkomst en dus een heel grote kans dat het beroep bij deze persoon zal passen.

2. VMBO/MAVO

In Testzone worden 5 studiekeuze testen voor vmbo/mbo aangeboden die onbeperkt binnen- en buitenschools gebruikt mogen worden. Deze bestaan uit lange en korte testen. De individuele testuitslag is gekoppeld aan de beroepen en opleidingen-database. In de database voor het vmbo en mbo zijn alle kwalificaties opgenomen die het mbo aanbiedt. Voor elk van de vier sectoren (Landbouw/nat. omg., Economie, Zorg en welzijn, Techniek) genereert het programma naar aanleiding van de persoonlijke testuitslag mbo voorkeurslijsten: profiel, opleidingsdomeinen, subprofielen en kwalificaties. Per kwalificatie is er een doorkoppeling met het kwalificatiedossier en beroepsomschrijving.

2.1. Lange studiekeuzetesten

• ABIV C16
De interactieve ABIV C16 (sectorkeuze /profielkeuze/opleidingkeuze/kwalificatiekeuze) is volledig herzien i.v.m. de vernieuwing van het VMBO. Het gebruik van ABIV 16 is een hulpmiddel voor het maken van een profiel-/sectorkeuze dan wel een keuze voor een MBO vervolgopleiding.
Doordat de test als uitgangspunt 4 sectoren, 10 profielen en 16 opleidings-domeinen en 510 beroepskwalificaties heeft, is de test ook geschikt voor VMBO-2 leerlingen die een sector/ profiel moeten kiezen alsmede voor iedereen die wil nagaan of de sectorkeuze/ profielkeuze wellicht niet juist is geweest.

190 items
VMBO-normtabellen voor jongens en meisjes
Koppeling 16 opleidingsdomeinen aan MBO beroepen en MBO opleidingen

De ABIV 16 vragenlijst meet de sterkte van de interesses voor bepaalde sectoren in de beroepenwereld in vergelijking met leeftijdsgenoten van hetzelfde geslacht en hetzelfde opleidingsniveau. Met deze test krijgt de VMBO-leerling inzicht in diens belangstelling en voorkeuren voor verschillende beroepensectoren op MBO-niveau c.q. profiel-/sectorkeuze.
De domeinindeling is een ordening van MBO-opleidingen in zestien domeinen van verwante opleidingen. Door deze bundeling wordt het opleidingsaanbod voor aankomende MBO-studenten overzichtelijk. Dit helpt hen bij het kiezen van een opleiding.
Doordat de test als uitgangspunt vier sectoren, 10 profielen en 16 opleidingsdomeinen heeft, is de test ook geschikt voor VMBO-2 leerlingen die een sector/profiel moeten kiezen alsmede voor iedereen verder die wil nagaan of de sector-/profielkeuze wellicht onjuist is geweest. Elke leerweg binnen het VMBO kent een keuze uit tien profielen.
Bij de keuze van de schalen is uitgegaan van de sectoren en afdelingen en is tegelijk geïnventariseerd welke soorten keuze een leerling heeft. Bij de constructie van ABIV C16 is naast de a priori indeling op basis van VMBO-afdelingen gebruik gemaakt van een factoranalytische indeling waarbij de gedachte is dat de correlatie tussen de items voldoende aanwijzingen geeft over de indeling van de items. Dit proces leidde uiteindelijk tot een verdeling van de items over de volgende opleidingsdomeinen:

Economie:
1 Economie en administratie
2 Handel en ondernemerschap
3 Horeca en bakkerij
4 Toerisme

Zorg en Welzijn:
5 Zorg en welzijn
6 Veiligheid en sport
7 Uiterlijke verzorging

Landbouw en natuurlijke omgeving:
8 Voedsel, natuur en leefomgeving

Techniek:
9 Bouw en infra
10 Afbouw, hout en onderhoud
11 Mobiliteit en voertuigen
12 Techniek en procesindustrie
13 Ambacht, laboratorium en gezondheidstechniek
14 Media en vormgeving
15 Informatie en communicatietechnologie
16 Transport, scheepvaart en logistiek

• ABIV C9
De ABIV C9 is een interessetest voor studie- en beroepskeuze. De vragenlijst meet de sterkte van de interesses voor bepaalde sectoren in de wereld der beroepen, in vergelijking met leeftijdsgenoten. Met deze test krijgt men inzicht in de belangstelling en voorkeuren voor de verschillende beroepensectoren op MBO niveau.

VMBO-leerlingen, HAVO/VWO leerlingen
153 items
C-schaal, normgroepen VMBO techniek klas3, VMBO economie klas3, VMBO landbouw klas3, VMBO zorg en welzijn klas 3, VMBO TL klas 3 mannen, VMBO TL klas 3 vrouwen, HAVO klas 3 mannen, HAVO klas 3 vrouwen, VWO klas 3 mannen, VWO klas 3 vrouwen
Koppeling 9 interesserichtingen aan MBO beroepen en MBO-opleidingen

Deze test is bedoeld voor leerlingen van het VMBO en HAVO/VWO leerlingen in klas 3 die zich willen oriënteren op het MBO. De ABIV vragenlijst meet de sterkte van interesses voor bepaalde sectoren in de beroepenwereld in vergelijking met leeftijdsgenoten met hetzelfde opleidingsniveau. Met deze test krijg je inzicht in jouw belangstelling en voorkeuren voor verschillende beroepen-sectoren op MBO-niveau. Men kan zelfstandig de eigen interesses onderzoeken en op deze wijze de keuzevaardigheid vergroten in het zich identificeren met passende opleidingen en/of werkomgevingen. Bij elk item van de vragenlijst dient steeds een keuze gemaakt uit 5 omschrijvingen van beroepen/activiteiten. In totaal zijn er 153 keuzemomenten, hieruit resulteert een profiel van 9 verschillende interesserichtingen.

Uitgaande van de indeling in hoofdstromen van vakkenpaketten en nadere onderverdeling in relatief homogene interesse-sectoren, is de wereld der beroepen in de volgende negen hoofdsectoren onder te verdelen:

1. natuurwetenschappelijk-onderzoekend
2. realistisch technisch
3. horeca/voeding/natuurprodukten
4. agrarisch/buitenwerk
5. administratief-conventioneel
6. zakelijk-bestuurlijk
7. creatief-artistiek
8. cultureel-geesteswetenschappelijk
9. sociaal-contactueel

• BZO voor vmbo
De BZO-serie beantwoordt vragen als waar liggen jouw interesses, wat zijn je kwaliteiten, wat is je zelfbeeld, welke studie past bij jou, wat wil je worden en geeft hiermee antwoord op de belangrijke indicatoren: Wat wil ik? Wat kan ik? Wie ben ik? en geeft als resultaat antwoord op de vraag welk soort werk of opleiding past bij mij ?.
De BZO is niet alleen een interesse-vragenlijst, maar door de combinatie met competenties en het zelfbeeld (normen, waarden, eigenschappen) ook een persoonlijkheids- en motivatie- onderzoek. BZO heeft daardoor de kenmerken van een volledig loopbaan onderzoek.

Vanaf 15 jaar
223 items
Landelijke normen: RIASOC-model

De Holland-theorie wordt al decennia lang als een internationaal geaccepteerd en gerenommeerd kader beschouwd voor studie- en beroepskeuzevraagstukken en vormt de basis voor verschillende vragenlijsten, die zich sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw in de praktijk van beroepskeuzeadviseurs, studentenbegeleiders, arbeids-psychologen en HRM-adviseurs hebben bewezen. De Engelstalige SDS (Self Directed Search) en diens opvolgers en varianten behoren tot de meest toegepaste beroepskeuzetests. Voor het maken van BZO bood de Hollandtheorie dan ook een solide basis. De test bevat een zeer uitgebreide rapportage in vergelijking met gangbare BZO-testen.

2.2. Korte studiekeuzetesten

• De Verkorte BZO Person × Object

De VK BZO P × O is een korte (30 items), moderne en praktijkgerichte methode om studiekeuze- en beroepsinteresses te meten bij leerlingen . De test is gebaseerd op het RIASEC-model van John Holland en maakt gebruik van een innovatieve meetwijze waarbij de nadruk ligt op relatieve voorkeuren tussen verschillende interessegebieden.

Theoretische achtergrond
De BZO P × O is gegrond op het klassieke RIASEC-model van Holland (Realistisch, Intellectueel, Artistiek, Sociaal, Enterprising en Conventioneel). In dit model worden interesses weergegeven in een circumplexstructuur, waarbij nabijgelegen interessegebieden vaak verwante voorkeuren aanduiden. Onder invloed van Prediger (1982) wordt dit model verder verklaard door twee onderliggende dimensies: Mensen ↔ Dingen en Ideeën ↔ Data. De BZO PxO sluit bij deze benadering aan door interessesituaties te gebruiken die deze dimensies concreet maken en in balans meten.

Doel en doelgroep
De BZO P × O is ontworpen voor jongeren en jongvolwassenen vanaf circa 14 jaar en is geschikt voor loopbaanoriëntatie, profielkeuze en studiekeuze. De test helpt leerlingen te ontdekken in welke richting hun natuurlijke interesses liggen en hoe deze aansluiten bij mogelijke studie- en beroepsrichtingen. Deze test helpt hen te ontdekken waar hun voorkeuren werkelijk liggen wanneer ze moeten kiezen tussen twee even realistische alternatieven. De test is bijzonder geschikt voor profiel- en studiekeuze, loopbaanoriëntatie en reflectie op talentontwikkeling.

Wat wordt gemeten?

De BZO P × O meet de verschillen in voorkeur tussen de zes RIASEC-interesses:
Code Interessegebied
R Realistisch (handen, techniek, buitenwerk)
I Intellectueel (onderzoeken, analyseren)
A Artistiek (creatief, expressief, vormgevend)
S Sociaal (helpen, begeleiden, samenwerken)
E Enterprising (ondernemen, beïnvloeden, leidinggeven)
C Conventioneel (structuur, administratie, organiseren)

De test berekent per type hoe vaak dat type gekozen of niet gekozen is. Hieruit ontstaat een rangorde van voorkeuren en een driedimensionale RIASEC-code (bijv. SIA of RIS). De afstand tussen de scores toont hoe uitgesproken de interesses zijn.

De kern van het P × O-model
De Person × Object aanpak gaat uit van het principe dat interesses situatiegebonden keuzes zijn, geen abstracte voorkeuren. De test presenteert daarom 30 alledaagse situaties waarin de leerling telkens kan kiezen tussen twee activiteiten, die elk een verschillend RIASEC-type vertegenwoordigen.

Voorbeeldsituatie
In een dierentuin:
• Ik verzorg de dieren en geef ze te eten. (Realistisch – R)
• Ik observeer en bestudeer het gedrag van de dieren. (Intellectueel – I)

Elke keuze laat zien waar de intrinsieke voorkeur van de leerling ligt — niet op basis van oordeel ("hoe leuk vind ik dit?"), maar op basis van vergelijking ("welke activiteit spreekt me méér aan?").

In elk item kiest de leerling tussen twee activiteiten (bijvoorbeeld Realistisch en Intellectueel) en geeft daarbij ook de sterkte van voorkeur aan. De antwoordopties worden vertaald naar numerieke waarden volgens het onderstaande schema:

Keuze - Betekenis
1 Sterke voorkeur voor A
2 Voorkeur voor A
3 Voorkeur voor B
4 Sterke voorkeur voor B

Elke keuze kent dus een asymmetrische, maar positieve weging. Het totale aantal punten per item blijft constant, terwijl de verdeling tussen beide interessevelden varieert afhankelijk van de sterkte van voorkeur.

BZO P × O – Scoremethode en interpretatie

Meetmethode: relatieve voorkeur
In tegenstelling tot traditionele interessevragenlijsten, waarbij elke activiteit afzonderlijk wordt beoordeeld op een Likert-schaal, werkt de BZO P × O met keuzepaarvergelijkingen. Leerlingen krijgen steeds twee activiteiten aangeboden en moeten kiezen welke hen meer aanspreekt. Elke activiteit vertegenwoordigt een van de zes RIASEC-typen.

Gebalanceerde RIASEC-meting in het onderwijs
Deze test combineert de kracht van het klassieke RIASEC-interessemodel van Holland met een moderne, gebalanceerde meetbenadering die beter aansluit bij de belevingswereld van leerlingen.

De BZO P × O is gebalanceerd omdat beide antwoordopties steeds binnen dezelfde context vallen. Zo wordt vermeden dat één optie aantrekkelijker lijkt door de situatie zelf. De test vergelijkt dus twee gelijkwaardige alternatieven, waarbij alleen het type activiteit verschilt.
Dat maakt de meting eerlijker, minder beïnvloed door taal of context en betrouwbaarder bij jongeren die nog weinig werkervaring hebben. De BZO Person × Object gebruikt een hybride scoringsmethode waarbij leerlingen in 30 situaties kiezen tussen twee activiteiten, elk behorend tot een verschillend RIASEC-type. De test combineert een forced-choice benadering met graduele voorkeuren, zodat zowel de richting als de sterkte van de voorkeur kan worden vastgesteld.

Door deze 'forced choice'-methode worden niet absolute, maar relatieve voorkeuren gemeten. Dit voorkomt sociaal wenselijk antwoordgedrag en geeft een duidelijker beeld van wat werkelijk bovenaan de interessehiërarchie van de leerling staat.

Vergelijking met klassieke methoden
In tegenstelling tot de bipolaire (positief/negatief) scoring van klassieke ipsatieve tests, kent de BZO P × O alleen positieve waarderingen. Dit betekent dat beide activiteiten punten kunnen krijgen, afhankelijk van hun relatieve aantrekkelijkheid. De test meet dus niet alleen 'wat wint', maar ook 'hoe sterk' die voorkeur is.

De BZO P × O-scoremethode combineert de kracht van relatieve vergelijking met de nuance van graduele voorkeuren. De gebruikte waarden vormen een empirisch onderbouwde schaal die het onderscheidingsvermogen vergroot zonder de interpretatie te compliceren. Het resultaat is een betrouwbaar, uitlegbaar en consistent model dat uitstekend past binnen het onderwijs.

Voordelen van de Hybride P × O voor het onderwijs:
Meet echte voorkeuren via directe vergelijking
Meet relatieve voorkeuren in plaats van absolute oordelen
Combinatie van richting (welke activiteit) en sterkte (hoe sterk de voorkeur is)
Minder gevoelig voor sociaal wenselijk antwoordgedrag
Geschikt voor onderwijscontext: geen negatieve waarden, intuïtieve uitleg
Behoudt informatie bij ambivalente keuzes (beide kanten krijgen punten)
Compatibel met normatieve tests zoals de BZO ICA
Korte afnameduur (ca. 10-15 minuten)
Past uitstekend bij loopbaangesprekken en LOB-dossiers
Sluit goed aan bij de belevingswereld van jongeren (met weinig werkervaring)
Levert een onderscheidend en genuanceerd interesseprofiel
Eenvoudig te koppelen aan studie- en beroepssectoren:
gekoppeld aan de ruim 500 MBO beroepskwalificaties en opleidingen (laatste update 1-10-2025)

De BZO P × O is bijzonder geschikt voor onderwijsinstellingen die leerlingen willen begeleiden bij profiel- of studiekeuze. De test kan zelfstandig worden ingezet of in combinatie met andere instrumenten zoals de BZO ICA. De BZO P × O kan ingezet worden gebruikt om de relatieve interesseverhoudingen te bepalen die de basis vormen voor verdere analyse van competenties en persoonlijkheid.

• Verkorte BZO ICA voor VMBO (Interesses & Competenties & Activiteiten)
Deze korte vragenlijst bestaat uit 30 interessevragen (30 activiteiten: wat vind ik leuk ?) en 30 competentievragen (dezelfde activiteiten: waar ben ik goed in ?) De BZO-ICA is een test die ontwikkeld is voor alle niveaus van het vmbo, dus ook basis en kader. Door de koppeling van de persoonlijke riasoc-code van de leerling aan sectoren/profielen, opleidingsdomeinen en kwalificaties kan de leerling op zoek gaan naar een richting/opleidingsdomein waaraan het RIASOC-type het meest verwant is.

3. KWALIFICATIEMETERS

• Kwalificatiemeter MBO en Kwalificatiemeter hoger onderwijs
De resultaten van de Kwalificatiemeters worden geïntegreerd weergegeven in een maatwerkrapport. Alle resultaten worden zo weergegeven, dat in één oogopslag te zien is waar de sterke en zwakkere punten van een leerling liggen. De begeleider krijgt hierdoor sneller zicht op de leerling en kan gesprekken en begeleiding van de beroeps- en opleidingskeuze doelgerichter en efficiënter inrichten.

Het maatwerkrapport is zowel voor de begeleider als voor de leerling en ouder/verzorger makkelijk te interpreteren. Met deze test kan makkelijker een antwoord gegeven worden op de vraag of een leerling de juiste eigenschappen bezit voor een opleiding. De leerling kan daardoor beter starten met zijn of haar gekozen opleiding in het hoger onderwijs.

De Kwalificatiemeter MBO, dè Assesmenttool voor het VMBO (incl. persoonlijkheidstest Big Five, leermotivatie, competenties, leerstijlen en geïntegreerde beroepskeuzetest) kan worden ingezet voor leerlingen ter verbetering van LOB.

De Kwalificatiemeter voor het Hoger Onderwijs bestaat uit gevalideerde (test) onderdelen die belangrijk zijn bij beroepsoriëntatie en toekomstig succesvol studieverloop:

• Persoonlijkheid wordt gemeten met de Big Five Factor Inventory (B5FFI, 60 items), en is bedoeld om normale persoonlijkheidskenmerken te meten en wordt voor de gedragsstijlen geïntegreerd met de Abridged Big Five-Dimensional Circumplex (Hofstee, de Raad, & Goldberg).

• Leermotivatie wordt gemeten met de PMT voor het Onderwijs (45 items).

• Coping als persoonlijkheidsstijl wordt gemeten met de Dutch Coping List voor het Onderwijs (48 items). DCL is ontworpen op basis van vier bestaande copinglijsten : Leuvense Coping Lijst (LCL), Utrechtse Coping Lijst (UCL), Vragenlijst Aangaande Coping met Specifieke Situaties of Symptomen (VACSS) en de de Ways of Coping Checklist (WVS Lazarus en Folkman).

• Vragenlijst Leerstijlen (44 items) is gebaseerd op de active/ reflective schaal van Kolb, de Jungiaanse schalen extraversion - introversion en sensing - intuïtion, de visual-verbal schaal van Felder en het onderscheid serialistisch-holistisch van Pask.

• Competentiedeel is samengesteld op basis van het beste aanbod van bestaand instrumentarium en bestaat uit een competentiedeel (153 items) en een studiekeuzedeel (58 items). Met een competentiewijzer worden studenten gedwongen kritisch na te denken over hun eigen sterktes en zwaktes. Met dit zelfinzicht zijn ze beter in staat (studie)keuzes te maken voor de toekomst en hun competenties te ontwikkelen.

• Oriëntatie op beroep en opleiding is gebaseerd op de verkorte gebalanceerde versie van de professionele BZO voor het Onderwijs (30 items).

4. COMPETENTIES

• Zelfbeoordelingsvragenlijst VWO Competenties
De Zelfbeoordelingsvragenlijst VWO Competenties is gebaseerd op zes competenties die volgens divers onderzoek van invloed zijn op studiesucces en representeren daarbij de klassieke verschillen tussen HBO- en WO-onderwijs. De 6 competenties die onderscheidend zijn voor de HBO- en WO-gerichtheid zijn:
- Werkattitude
- Plannen
- Concentratievermogen
- Informatie opnemen
- Informatie analyseren
- Innovatievermogen
Leerlingen die hoog scoren op deze competenties zouden met succes een WO-opleiding moeten kunnen afronden. Studenten die laag scoren zouden meer succes hebben op een HBO-opleiding.

• Vragenlijst Doorstroom VMBO-MBO, Competenties en Persoonlijkheid
De Vragenlijst Doorstroom VMBO-MBO, Competenties en Persoonlijkheid focust op een aantal (generieke) competenties die van essentieel belang zijn:
- Samenwerken
- Plannen en organiseren
- Informatie verwerven en verwerken
- Probleemoplossen
- Communicatie
- Omgaan met veranderingen

• Competentie Monitor 21th century skills.
De Competentie Monitor meet met een vragenlijst van 73 vragen een twaalftal belangrijke toekomstgerichte vaardigheden. Een goede beheersing van deze vaardigheden is essentieel om succesvol deel te nemen in de maatschappij van de toekomst.
Tot de zogenaamde 21th century skills behoren de competenties Kritisch denken, Creatief denken en handelen, Probleemoplossend denken en handelen, Zelfregulering, Ondernemend denken en handelen, Loopbaansturing, Sociale en culturele vaardigheden, Samenwerken, Communicatie, Netwerken, ICT- en informatievaardigheden, Informatiebeveiliging en Privacy.
Dit gestandaardiseerd instrument kan ingezet worden voor niveau 2, 3 en 4 van het mbo en in de hogere klassen van het vwo (5/6) en de havo (5). De leerling kan op deze twaalftal 21ste-eeuwse vaardigheden zijn of haar vaardigheidsniveau meten.

• Vragenlijst Creatieve Vaardigheden.
Het belang van creativiteit in het onderwijs krijgt steeds meer erkenning. Creativiteit is een combinatie van divergent denken (het vermogen om veel verschillende ideeën te bedenken) en convergent denken (probleemoplossing). Zo'n combinatie komen we tegen in de vijf kenmerken van de creatieve geest. De Onderzoekers Bill Lucas, Guy Claxton and Ellen Spencer benoemen in het OECD onderzoek kenmerken van creatieve personen: een creatief persoon is volgens hen nieuwsgierig, vasthoudend, coöperatief, gedisciplineerd en verbeeldend.
De Vragenlijst Creatieve Vaardigheden (49 items) meet 7 generieke competenties van creatief vermogen: nieuwsgierig, verbeeldend, onafhankelijk, volhardend, sociale interactie en feedback, zelfbewust en doelgericht. De leerling kan zien waar hij/zij goed in is en waar minder goed. Je kunt ook kijken of de ontwikkeling op het gebied van creativiteit van de individuele leerling is toegenomen door de vragenlijst jaarlijks of halfjaarlijks af te nemen of via een voormeting en nameting bij een bepaald lesprogramma of project.
De Vragenlijst Creatieve Vaardigheden is genormeerd voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs en voor het vmbo.

• Vragenlijsten Loopbaancompetenties voor vmbo, havo, vwo
Middels de vragenlijst loopbaancompetenties is het mogelijk om te onderzoeken in hoeverre leerlingen de loopbaancompetenties hebben ontwikkeld. Voor het meten van loopbaancompetenties wordt aangesloten bij het door Kuipers et al (2010) gemaakte onderscheid in kwaliteitenreflectie, motievenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken. De vragenlijst bestaat uit 30 items.

• Vragenlijst Loopbaancompetenties voor mbo is daarnaast nog aangevuld met de schalen loopbaanmotivatie en zelfvertoon. De vragenlijst bestaat uit 35 items. De Vragenlijst is genormeerd voor de hogere klassen van niveau 3 en 4 opleiding van het MBO.

5. OVERIG

• Verkorte DAT-IQ
De Verkorte DAT-IQ voor het onderwijs (Capaciteiten) bestaat uit de volgende schalen:
- woordenlijst: synoniemenkennis (multiple choice)
- visualisatie: het in gedachten vormen van een geometrische legkaart. Men kiest uit een aantal getekende vormen die vormen waarmee de opgavefiguur (bijvoorbeeld een vierkant) gelegd kan worden.
- kantelen en roteren : aan de hand van de gekantelde en/of gedraaide positie van een voorbeeldfiguur moet men bepalen of de positie van steeds een andere figuur overeenkomt.
- woordmatrijzen: bepaald moet worden of de verhouding van twee andere woordparen analoog is aan de verhouding van een ander nog te vormen woordpaar.

• Vragenlijst Klimaat in de klas.
De Vragenlijst Klimaat in de klas is een meetinstrument dat met slechts 35 vragen zaken in kaart brengt als de groepscohesie met als resultante de onderlinge relaties, de groepsdynamiek, fricties en sfeer in de klas, klassenmanagement zoals het goed orde houden en structuur en duidelijkheid bieden en de interactie en communicatie tussen leerlingen en docent.
Naast het in kaart brengen van het klimaat in de klas, biedt de rapportage ook gerichte handvatten voor interventies om het klimaat in de klas te verbeteren. Het instrument is ook zeer geschikt om ‘risicoleerlingen’ in de groep of in de school te signaleren. De Vragenlijst Klimaat in de klas kan binnen het kader van het evalueren van de effectiviteit van eventuele interventies meerdere keren per jaar afgenomen worden.
De Vragenlijst Klimaat in de klas kan op verschillende manieren gebruikt worden: ter beschikking stellen aan individuele docenten, bespreking in docententeams of als onderdeel van POP-gesprekken.
Normtabellen: VMBO regulier, HAVO/VWO, MBO.

• Studie Keuze Monitor
De StudieKeuzeMonitor (SKM) is theoretisch gebaseerd op de theorieën over het studiekeuzeproces van M.C.A. de Grauw en O. Taborsky, V. Harren en D.V. Tiedeman en de verschillende taxonomieën van problemen bij de uitvoering van het studiekeuzeproces (o.a. R. Campbell en J. Cellini)

De SKM (33 items) is een test die je laat zien hoe ver je bent in jouw studiekeuzeproces. Heb je er helemaal nog niet over nagedacht of is het besef er dat je moet kiezen maar heb je nog geen idee wat je wilt studeren? Of heb je je al georiënteerd en al een studierichting gekozen? In welke fase je ook zit, er is altijd een aantal acties die je nog kunt ondernemen om ervoor te zorgen dat je een studie kiest die bij jou past.

De SKM meet hoe leerlingen omgaan met acties die belangrijk zijn bij het kiezen van een studie voor het hoger onderwijs en bestaat uit zes aparte schalen die de kwaliteit van de keuze-acties in elk van deze zes fasen meten. In de SKM worden vragen gesteld, die samenhangen met verschillende fases van oriëntatie en studiekeuze:
Fase 1 Bewustwording van de noodzaak tot kiezen (motivatie)
Fase 2 Ken jezelf (je interesses, vaardigheden, manier van studeren en persoonlijke waarden)
Fase 3 Exploratie van de omgeving (brede oriëntatie op studiekeuzemogelijkheden)
Fase 4 Diepte exploratie van enkele geselecteerde studiemogelijkheden
Fase 5 Progressie in besluitvorming (mate van nabijheid van het keuze-moment)
Fase 6 Identificatie-commitment: het commiteren aan een bepaalde keuze

De keuze van (de categorieën van) de vragen voor elk van de zes fases is gebaseerd op literatuur en vragenlijsten op het gebied van loopbaanvraagstukken. Algemene items over het maken van een loopbaankeuze werden toegespitst op de situatie van het maken van een studiekeuze.

Het keuzeproces wordt gezien als een actief aanpakken van taken of keuze-acties die voortschrijdend in de tijd, het ontwikkelingsproces bevorderen, om uiteindelijk te resulteren in een verhoogd niveau van keuzeontwikkeling.

De fases zijn niet streng afgebakend. Integendeel, ze zullen vaak in elkaar overvloeien en elkaar beïnvloeden. Brede orientatie van studiemogelijkheden kan bijvoorbeeld een invloed hebben op de ontwikkeling van de keuze-actie verdieping en omgekeerd. Er kan zelfs tegelijkertijd aan meerdere keuze-activiteiten gewerkt worden. Er wordt vanuit gegaan dat er een intense wisselwerking bestaat tussen de verschillende subacties.

Het is mogelijk dat op elk ogenblik van het proces de studiekiezer de gekozen actie verlaat om over te stappen naar een andere keuzeactie. Zo kan het best mogelijk zijn dat de betrokken persoon op een bepaald ogenblik uit de verdiepingsfase stapt en overgaat naar het beslissen, maar het kan ook zo zijn dat de studiekiezer ontdekt dat de verworven kennis over de mogelijke keuzeopties minder realistisch is dan gedacht. In dat geval kan er een proces van bewustwording op gang komen waarbij naar fase 3 teruggekeerd wordt.

Aan het eind van de test laat de StudieKeuzeMeter in een uitgebreide rapportage de kwaliteit van handelen per fase van het studiekeuzeproces zien en geeft aan welke vervolgstappen je nog kunt nemen. De SKM kan reflectie stimuleren over de wijze waarop het keuzeproces doorlopen werd. Daarnaast zijn in een uitgebreide bijlage de succesfactoren en de valkuilen bij het studiekeuzeproces opgenomen. De SKM beoogt leerlingen bewust te maken van hun eigen studiekeuzeproces en kan bijdragen aan het maken van een meer doordachte studiekeuze.

• Studie Rendement Meter (SRM)
De vragenlijst Studie Rendement Meter (SRM) is een vragenlijst die peilt naar de mate van het actief studeergedrag en naar de mate van effectiviteit van de studiemethode. Een grote inzet voor de studie en een effectieve studiemethode en planning zijn bepalend voor het studierendement. En deze factoren hebben een belangrijke invloed op het studiesucces in het hoger onderwijs.

Onderzoek toont aan dat studenten met een grote inzet en een goede studiemethode, ongeacht hun begaafdheid, meer kans op studiesucces hebben.

De SRM is een zelfevaluatie-instrument waarbij leerlingen hun eigen studiehouding beoordelen. De afnameduur bedraagt minder dan 10 minuten.

De test omvat 44 items, verdeeld over 2 dimensies:
- Actief studeergedrag (22 items)
- Studiemethode (22 items)

De normen zijn gebaseerd op 2.789 leerlingen (1376 jongens, 1413 meisjes). Aan de testscores zijn individuele schriftelijke rapportages verbonden. Daarnaast krijgt de leerling een rapportage per dimensie op item-niveau die een basis vormt tot zelfreflectie en eventueel actie (de zogenaamde verbeterpunten).